Naast de gerapporteerde contacten – in de vorm van het bekende ‘gelezen, doorbladerd, overlopen’ – bevat het protocol van de recente CIM Publishing-studie ook vragen die deze contacten nader proberen te kwalificeren.
Dat kunnen we beschouwen als een soort benadering van engagement, of van de leeservaring, ook al is de meting niet erg nauwkeurig.
Deze aanpak bestaat uit twee onderdelen. Het eerste betreft het aandeel dat doorgaans wordt gelezen, met de volgende antwoordmogelijkheden: ‘Ik lees… het volledige nummer, de meeste artikels, ik neem de rest door, één of sommige artikels, ik neem de rest door, één of sommige artikels, ik neem de rest niet door, het nummer niet echt, maar ik doorblader het’.
Het tweede onderdeel gaat over het aantal keren dat een lezer een publicatie opnieuw ter hand neemt: ‘Hoeveel keer leest u de papieren versie/de digitale editie (bv. pdf, …) van eenzelfde nummer?’, met antwoordmogelijkheden van ‘in één keer’ tot ‘in vijf keer of meer’.
Onze aanpak bestond erin voor beide indicatoren een gemiddelde te berekenen binnen het bereik van de laatste periode voor elke afzonderlijke titel of combinatie van titels, telkens op een zo gedetailleerd mogelijk niveau. De gemiddelden werden berekend op basis van het print- en replicabereik. Voor het aandeel dat wordt gelezen, kreeg elke antwoordmogelijkheid een bepaald gewicht. Zo werd bijvoorbeeld 100% toegekend aan het volledig lezen van een nummer en 75% aan ‘de meeste artikels, de andere pagina’s doorblader ik’, enzovoort.
.jpg)
Onze grafieken tonen de resultaten van deze berekeningen. De gegevens worden uitgesplitst naar taal en publicatietype – kranten versus magazines – en naar verschijningsfrequentie. Ook wordt een onderscheid gemaakt tussen betalende en gratis titels, zoals de bijlagen bij dagbladen.
Uiteindelijk leveren de resultaten weinig onderscheidende verschillen op, vooral wat het aandeel gelezen pagina’s betreft. De gemiddelden schommelen naargelang de categorie tussen 58% en iets minder dan 63%. De verschillen zijn dus vrij klein. Uiteraard zijn er uitschieters: het aandeel gelezen pagina’s bedraagt in het laagste geval minder dan 52% en loopt in het hoogste geval op tot ongeveer 72%. Dit is dus een metric die vooral aan betekenis wint als hij per titel wordt bekeken.
Wel opmerkelijk is dat het gemiddelde leespercentage het laagst ligt bij maandbladen en publicaties die minder frequent verschijnen. Tegelijk worden deze titels ook het vaakst opnieuw ter hand genomen. Doordat er meer tijd zit tussen twee edities, keren lezers vaker terug naar de inhoud, terwijl hun leessessies korter zijn.
Bij kranten, die doorgaans dagelijks verschijnen, ligt het gemiddelde aantal keren dat een nummer opnieuw wordt opgenomen het laagst. Dat is geen verrassing: de krant van vandaag is morgen alweer achterhaald.
Als we beide indicatoren combineren, blijkt de grondigheid van het contact het grootst bij weekbladen. Ze combineren een hoog leespercentage met een redelijk frequent opnieuw ter hand nemen van de publicatie. De ‘laagste’ diepte zien we bij dagbladen – wat gezien hun vluchtige karakter logisch is – en bij gratis publicaties, waarvoor lezers zich blijkbaar minder betrokken voelen.
Deze benadering van engagement blijft echter vrij rudimentair en zou gebaat zijn bij vragen die iets specifieker peilen naar de leeservaring.