Het ‘News Report 2026’ van de Britse regulator Ofcom dat een maand geleden verscheen, bevat een schat aan informatie. Uiteraard gaat het over het mediagedrag van onze buren, niet over dat van ons. Bovendien ligt de focus op nieuwsconsumptie, niet op mediaconsumptie in het algemeen.
Dat belet niet dat we te maken hebben met een grootschalige en ambitieuze studie (bijna 5.400 interviews, waarvan nog altijd 31% face-to-face werd afgenomen) over een belangrijk aspect van mediaconsumptie in een ontwikkeld land nauw dat nauw aansluit bij het onze. Bovendien vertrekt dit bijzonder kwalitatieve onderzoek vanuit de inhoud, en niet vanuit afzonderlijke media. Het gaat dus over nieuws, ongeacht het platform, en niet over afzonderlijke ‘silo’s’.
.jpg)
Zo leren we dat het extra bereik dat online aanwezigheid oplevert, kan verschillen van medium tot medium. Voor televisie is het relatief beperkt (+4% in relatieve termen als VOD aan de lineaire uitzendingen wordt toegevoegd), maar voor radio (+10%) en publishing (+15% in relatieve termen) is het dan weer aanzienlijk groter.
Ook artificiële intelligentie is online stevig ingeburgerd: in het Verenigd Koninkrijk gebruikt één op de vijf mensen AI. Bij de 16-plussers maakt 21% er maandelijks gebruik van. Dat percentage loopt op tot 37% – meer dan één op de drie – bij de 25- tot 34-jarigen en tot 29% in de meest welgestelde sociale groep.
Nog een interessant gegeven: in het Britse nieuwsaanbod vertegenwoordigen de traditionele media – pers, radio en televisie – 48% van de tijd die in totaal dagelijks besteed wordt aan nieuwsconsumptie. Daarmee staan ze ongeveer op gelijke hoogte met digital. Dat digitale aanbod is op zijn beurt bijzonder divers. In termen van consumptietijd vertegenwoordigt het 48% van de in totaal 72 minuten die dagelijks aan nieuws worden besteed. Met podcasts erbij loopt dat aandeel zelfs op tot 52%.
Een groot deel van de online toegang verloopt echter via wat Ofcom ‘online tussenpersonen’ noemt. Samen zijn die goed voor 37% van de tijd die mensen aan nieuws besteden. Rechtstreekse toegang tot de websites of apps van nieuwsuitgevers vertegenwoordigt op zijn beurt slechts een klein deel van het totaal.
Een mogelijke troost voor nieuwsuitgevers is dat een groot deel van de consumenten hen toch aanwijst als de oorspronkelijke bron van nieuws dat ze via sociale media of YouTube hebben geconsumeerd. Een andere mogelijke troost: er is een duidelijk verschil in vertrouwen geïnspireerd door de ‘online tussenpersonen’ en dat in de rechtstreekse kanalen. Alles wat rechtstreeks van uitgevers komt – televisie, radio, online of gedrukte pers – geniet een aanzienlijke vertrouwensbonus.
Ook op het vlak van het aantal nieuwsbronnen dat mensen raadplegen, scoort het Ofcom-rapport sterk. In een gemiddelde maand raadplegen de Britten samen ongeveer twaalf verschillende titels of bronnen. Wat vooral opvalt, is de eclectische nieuwsconsumptie van jonge volwassenen: bijna achttien verschillende bronnen bij de 25- tot 34-jarigen en meer dan zestien bij de 35- tot 44-jarigen. We kunnen hier spreken van een ‘mediageneratie’, die uiteenlopende bronnen gebruikt en daarbij nog altijd in ruime mate op offline media terugvalt, in tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen.
Naast de mediacontacten op zich biedt ook het verschil in vertrouwen tussen rechtstreekse kanalen en tussenpersonen een interessante les voor merken. Het is trouwens precies op dat punt dat uitgevers van content – en niet alleen van nieuwscontent – vandaag hun argumenten opbouwen: een betrouwbaar medium biedt een gunstigere context voor reclame. Een argument dat door verschillende studies wordt ondersteund.