Fr

MEDIA

AI en media: NY Times-baas trekt aan alarmbel

Donderdag 4 Juni 2026

AI en media: NY Times-baas trekt aan alarmbel

Op het WAN-IFRA-congres in Marseille hield A.G. Sulzberger, de topman van de New York Times, een opmerkelijke toespraak, waarin hij zijn collega-uitgevers waarschuwde voor een groot risico. Hij hamerde erop dat platforms voor artificiële intelligentie zich een steeds groter deel toe-eigenen van de waarde die door de media wordt gecreëerd, zonder daarvoor verantwoordelijkheid te dragen of de makers ervan te vergoeden.
 
Volgens Sulzberger versterken de grote technologiebedrijven hun controle over aandacht en toegang tot informatie, terwijl ze tegelijk ontsnappen aan de fundamentele verplichting die met die macht gepaard zou moeten gaan: het publiek toegang bieden tot betrouwbare informatie. Hij spreekt van een “ongegeneerde diefstal van intellectuele eigendom” en beschuldigt AI-bedrijven ervan journalistieke content op grote schaal te exploiteren zonder toestemming of vergoeding.
 
AI-modellen steunen volgens hem op vier ingrediënten: talent, infrastructuur, energie en data. De eerste drie worden vergoed. Het vierde – waaronder boeken, films, muziek en journalistiek vallen – wordt volgens hem geplunderd zonder compensatie.
 
Die toe-eigening beperkt zich niet langer tot het trainen van modellen. Ze verandert ook de manier waarop internetgebruikers toegang krijgen tot informatie. In het AI-tijdperk gebruikt Google steeds vaker inhoud van uitgevers om rechtstreeks antwoorden te geven op vragen van gebruikers, in plaats van hen door te verwijzen naar de oorspronkelijke bronnen. Volgens sectoronderzoek waarnaar Sulzberger verwijst, is het vandaag tien keer moeilijker dan tien jaar geleden om een Google-gebruiker op een link te laten klikken.
 
Die evolutie weegt nu al zwaar op de bereikcijfers van nieuwsmedia. De grootste kranten die door ComScore worden gevolgd, zouden gemiddeld meer dan 45% van hun verkeer hebben verloren. Volgens de topman van de New York Times slorpen de platforms dus niet alleen een (groot) deel van de reclame-inkomsten op, ze monopoliseren ook de aandacht die uitgevers nog in staat stelde hun lezers om te zetten in directe of indirecte inkomsten.
 
Sulzberger pleit echter niet voor een afwijzing van artificiële intelligentie. “Een krachtige nieuwe technologie op afstand proberen te houden staat gelijk met mislukking”, verklaarde hij. Integendeel, hij roept uitgevers op om AI op een verantwoorde manier te omarmen, maar tegelijk ook hun rechten krachtiger te verdedigen.
 
De verzwakking van de sector dateert volgens hem bovendien van vóór de opkomst van AI. Sulzberger herinnert eraan dat de Verenigde Staten volgens sommige schattingen in de voorbije twee decennia 75% van hun journalisten en meer dan 3.000 kranten hebben verloren. “Om de drie dagen sluit een krant zijn deuren, en digitale media hebben dat gat bij lange na niet opgevuld”, benadrukte hij.
 
Tegelijk zijn de reclame-inkomsten van kranten met 80% gedaald. Om dat verlies op te vangen, zijn veel mediagroepen overgeschakeld op betaalde (digitale) abonnementen. Maar ook dat model zou onder druk kunnen komen te staan als gebruikers eraan gewend raken om via AI-producten gratis toegang te krijgen tot journalistieke inhoud die door anderen is geproduceerd en gefinancierd.
 
Het probleem betreft volgens Sulzberger niet alleen vrij toegankelijke inhoud. Uit een studie blijkt dat ongeveer 30% van de bezoeken van bots aan websites expliciete beperkingen schendt die toegang tot en het ophalen van content verbieden, ook wanneer die achter een betaalmuur zit. Met andere woorden: uitgevers hebben niet simpelweg “hun speelgoed buiten laten liggen”; de diefstal vindt volgens zijn beeldspraak ook plaats wanneer die inhoud “achter slot en grendel in huis” wordt bewaard.
 
In het licht van die situatie roept Sulzberger zijn collega’s op om niet langer afzijdig te blijven. “Onze sector is te stil, te passief en te verdeeld geweest tegenover de misbruiken van de bedrijven die de AI-revolutie leiden. We kunnen niet passief blijven toekijken terwijl dit werk wordt gebruikt om vervangende producten te bouwen die ons vermogen ondermijnen om het bereik en de inkomsten te verwerven die nodig zijn om mensen te blijven informeren.”
 
Tot slot wijst hij op het financiële onevenwicht tussen content makers en de bedrijven die hun modellen bouwen op basis van die gegevens. Hij verwijst naar de gezamenlijke beurswaarde van de zes grootste AI-bedrijven: 11.000 miljard dollar (bijna vijftien keer het Belgische bruto binnenlands product). De private investeringen in AI in de Verenigde Staten zouden vorig jaar bijna 350 miljard dollar vertegenwoordigd hebben. “De diefstal van intellectuele eigendom gebeurt dus zeker niet wegens geldgebrek”, concludeert hij. Volgens hem gaat vandaag minder dan 0,5% van die investeringen naar de vergoeding van de mensen en bedrijven die de data creëren waarop AI draait.

Foto: WAN-IFRA.

Archief / MEDIA