Papegaaien kunnen veel kletsen, maar hoe goed ze kunnen vliegen is nog een ander verhaal. Over de arend uit het gezegde wordt met geen woord gerept, maar de uitspraak is alleszins typerend voor de Franstalige mediaministers van de voorbije jaren. En sommige van hun stellingen zijn geen uitschuivers, maar tekens. Aan de wand. Om aan de alarmbel te trekken.
Als een mediaminister suggereert dat de herverdeling van de voornaamste sleutelrollen bij de RTBF een goede gelegenheid zou zijn om het “politieke schaakbord” opnieuw in evenwicht te brengen, zaait ze twijfel van de fundamenteelste soort. De zin wekt met name de indruk dat bekwaamheid wel eens minder zwaar zou kunnen doorwegen in de toekenning van deze of gene post dan de vermeende politieke kleur.
Als een mediaminister in het openbaar droomt van een “iets andere redactionele lijn” bij de RTBF, is dat geen stuntelige blunder, neen, maar geeft hij veeleer uiting aan een lokroep. En als de voorzitter van de partij in kwestie de uitlating dan nog uitdiept, is er geen twijfel meer mogelijk.
Al wie zijn oog zou willen laten vallen op de leiding van het zogenaamde ‘linkse nest’ van de RTBF – en mogelijks ook de directie van RMB - is alvast gewaarschuwd: “Ik verwacht niet van een afgevaardigd bestuurder dat hij een MR-partijkaart heeft, maar wel dat hij snapt dat hij RTL of de Rossel-groep niet mag verstikken", aldus de minister nog.
Alles zit in dat statement vervat. Persvrijheid wordt aldus herleid tot een evenwicht van marktaandelen, en redactionele onafhankelijkheid tot een kwestie van concurrentiële afstelling… De openbare omroep wordt niet langer gezien als een pijler in de democratie, maar als een biistuurbare variabele.
De haast unanieme reactie van de mediasector en van een groot deel van de politieke klasse op de controverse waartoe het discours van Galant leidde, is dan ook niet corporatistisch of van partijpolitieke aard. Wat hier op het spel staat, overstijgt het kader van de RTBF: natuurlijk mogen media bekritiseerd worden en kunnen invalshoeken of redactionele keuzes in vraag gesteld worden. Wat niet kan, is dat te doen vanuit een ministeriële zetel en door in nauwelijks verhulde bewoordingen te verwijzen naar de hefbomen om een persoonlijke of politiek noodzakelijk geachte verschuiving in gang te zetten.