Fr

TRAINING&BOOKS

SXSW: Bedenkingen uit een Amerikaanse snelkookpan, door Danny Devriendt (Omnicom Media)

Donderdag 19 Maart 2026

SXSW: Bedenkingen uit een Amerikaanse snelkookpan, door Danny Devriendt (Omnicom Media)

Nog vóór ik de skyline van Austin zag, was de reis zelf al veranderd in een soort referendum. Vrienden, familie en enkele collega’s met een voorliefde voor rampscenario’s stelden me allemaal, op de een of andere manier, dezelfde vraag: weet je zeker dat je nú naar de Verenigde Staten wilt? Sommigen vreesden dat ik aan de grens zou worden tegengehouden, omdat ik bij het schrijven geregeld zeg wat ik echt denk. Anderen maakten zich zorgen over de gewelddadige gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, of over het risico om op de verkeerde plek te zijn op het moment dat iemand beslist dat dissidentie en ontrouw hetzelfde zijn. Nog anderen stuurden me links over ICE en aanverwante diensten die meer weg hadden van horrorverhalen dan van openbaar beleid. Er waren ook stillere bezwaren, niet over veiligheid maar over waarden: waarom geld uitgeven in een land met een regering als die van Agent Orange?

Aan mijn beslissing om te gaan twijfelde ik echter nooit echt. Ik ging geen heel land boycotten vanwege de daden van sommige van zijn leiders, en er was maar één eerlijke manier om te begrijpen wat er echt onder de krantenkoppen speelt: erheen gaan, door de straten lopen, in zalen zitten en zelf de temperatuur nemen.

In 2026 voelde mijn aankomst op SXSW alsof ik een lagedrukgebied binnenstapte, al voor iemand ook maar één woord over politiek gezegd had. De rijen voor badgecontrole waren langer, de merkactivaties luider, de aanwezigheid van veiligheid – blauw op straat, eigenlijk zwart op straat – zichtbaarder, de off-the-record gefluisterde gesprekken scherper, harder. Op papier leek het verhaal vertrouwd: tech, film, muziek, taco’s, te veel feestjes. In de praktijk voelde het als een land dat tegen zichzelf praat met een te luide stem, terwijl het doet alsof het gewoon een hoogmis van netwerk en dampende innovatiebaden is.

De tweede termijn van Trump hing als een laag, grijs en stinkend wolkendek boven Austin. Niemand hoefde hem in het programma te vermelden; niemand hoefde “hem” te benoemen: hij sijpelde de panels binnen via uitdrukkingen als “regelgevingsonzekerheid”, “bedreigingen voor publieke media”, “het nieuwe informatie-ecosysteem”, “polarisatie”. Soms was het “de gestoorde”, of de “convict in chief”. Al die eufemismen zeiden hetzelfde: één man is terug in het Witte Huis en behandelt het land en zijn staten openlijk als een privébedrijf, en de grens tussen besturen en oplichten is vervaagd tot één enkele streep. Op SXSW wordt die vaagheid een ontwerpprobleem. Je kon zien en horen hoe sommige sprekers worstelden met de vraag: wat kun je nog zeggen op een podium waarvan de livestream tegen de avond in woedebestendige fragmenten wordt geknipt, ergens in Washington? Wat kan je redactie nog publiceren als je vergunning, je subsidies, je sponsors afhangen van één citaat te veel of te weinig?

De grap schrijft zichzelf, maar de punchline doet pijn. Mensen uit publieke media legden uit hoe cultuurstrijd tegenwoordig via spreadsheets loopt. Schrap deze reeks of verlies die financiering. Vermijd dit onderwerp als je wettelijke bescherming wil. Mensen uit de culturele sector spraken over “gemeenschapsnormen” met de lichaamstaal van wie gecensureerde boeken en bedreigingen aan het adres van audiovisuele media heeft gezien, en perfect weet wat er gebeurt als je aan de verkeerde kant van een verzonnen norm belandt. Juristen legden uit hoe censuur in 2026 zelden nog met laarzen komt; ze verschijnt niet openlijk autoritair, maar in de vorm van compliance-trainingen en “risicobeheer”. Angst zat achterin sommige sessies als een onuitgenodigde panellist, en dat was begrijpelijk: sommige instellingen, fondsen en universiteiten hebben hun subsidies nodig om te kunnen werken.
En dan was er de oorlog. Buiten en ook binnenin. Gaza, Oekraïne, Iran, de rest van het Midden-Oosten zweefden net buiten beeld, zelfs wanneer de slides netjes bleven bij “geopolitiek” en “desinformatie”. Sommige sprekers liepen op eieren, verpakt in voorzichtig taalgebruik over regionale stabiliteit en informatie-operaties. Anderen gooiden alle filters weg en gingen vol in aanklachtmodus: ze noemden namen, volgden bevoorradingsketens en vroegen luid waarom en hoe de VS keuzes blijven maken die zoveel burgers onder het puin achterlaten en zoveel veteranen gebroken thuis. Sommigen brachten dodentallen en beelden van ziekenhuizen uit Gaza, Oekraïne en door Iran gesteunde fronten mee tot in het hart van hun talks, en dwongen een zaal vol oprichters en makers om onder ogen te zien dat dit geen abstracte strategie is, maar dat het gaat om tastbare lichamen.

En dan waren er mensen zoals José Andrés en het team van Marvell, die de spotlight verlegden van schuld naar logistiek en hulp: keukens in gebombardeerde steden, connectiviteit op plekken waar elektriciteit een gerucht is geworden. Telkens wanneer iemand een screenshot toonde van door AI gegenereerde oorlogsvideo’s of deepfake speeches, trok de zaal licht samen. Geen verwondering over technologie, maar een misselijkmakend besef: ergens, op datzelfde moment, sterft iemand onder een echte bom terwijl een synthetische versie van zijn lijden wordt geoogst voor clicks. SXSW had altijd iets surrealistisch; dit jaar voelde het alsof we in een green room zaten, vlak naast het einde van de wereld.

Die dissonantie piekte rond het verhaal van AI-infrastructuur.

Aan de ene kant sprak OpenAI. Sites van meerdere gigawatt, in een land waar één enkel complex meer dan één procent van de piekcapaciteit opslokt. Ze beschreven AI-datacenters als geautomatiseerde fabrieken. De harde les: schaal wint. Meer rekenkracht, betere modellen, meer gebruikers, meer inkomsten, en dan weer meer vraag naar rekenkracht. Het vliegwiel.
Op slides leek het vooruitgang. Nieuwe jobs. Herindustrialisering. Een manier om de cloud weer om te zetten in staal, beton en belastingbasis. Ze spraken over “community benefits packages”, HVAC-upgrades voor rodeohallen – ja, echt – STEM-programma’s voor scholen in steden die tot nu toe voetnoten waren in andermans economie. Ze spraken over het moderniseren van het elektriciteitsnet, nieuwe transmissielijnen, een herschreven sociaal contract tussen tech en regio’s. In het publiek was het moeilijk om niet verleid te worden door dat verhaal: de toekomst als gigantische getallen die jouw richting uit rollen.

Maar wij wilden het over water hebben, niet over verwondering. Hoeveel drinkt een gigawatt intelligentie? Wat gebeurt er met meren en grondwater? Ingenieurs antwoordden koel: moderne systemen werken grotendeels in gesloten kringlopen; de grootste impact zit in de eerste vulling; daarna verbruikt het systeem minder dan een brouwerij; de echte bottleneck is elektriciteit, niet water. De fysica klopte, en voelde tegelijk fundamenteel fout. Het ongemak ging niet over leidingen, maar over wie beslist dat dit land, deze watervoorraden, deze hemel vol hoogspanningslijnen worden opgeofferd zodat een cluster modellen iets sneller kan nadenken over andermans problemen.

Tegelijk werd elders gesproken over zingeving, de trage crisis in het hoger onderwijs en jonge volwassenen die niet meer geloven in oude beloftes. Futuristen fileerden trendrapporten en zeiden dat leiders moeten stoppen doen alsof lineaire voorspellingen nog iets betekenen in een wereld van convergerende stormen. Onderwijspanels gaven schoorvoetend toe dat we briljante AI-tutoren bouwen terwijl we de instellingen uithongeren die ooit wetenschappers en burgers vormden. Mentale gezondheidsdeskundigen legden verbanden tussen algoritmische feeds, constante oorlogsbeelden en de verdoving die mensen meedragen in hun eindeloze scrollen. Doomscrolling als ontbijt voor je hersenen.

En overal liep nog een ander refrein: kritiek op de ongecontroleerde macht van tech-bros en de megalomane platformen die ze bouwden. De ongeduldigheid werd tastbaar telkens wanneer iemand sprak over engagement, schaal of “time on device” alsof dat neutrale metrics zijn, en geen hefbomen op menselijke aandacht. Sprekers met totaal verschillende achtergronden kwamen steeds terug op hetzelfde punt: we hebben een enorm stuk van ons mentale gemeengoed afgestaan aan een handvol bedrijven waarvan het businessmodel afhankelijk is van ons blijven scrollen – verdoofd en een beetje bozer dan gisteren. Het klonk minder als een aanval op technologie, en meer als een afrekening met een kleine priesterklasse van oprichters en investeerders die hele bevolkingen behandelen als A/B-testgroepen.

Het festival voelde politiek, niet door slogans, maar omdat elke track – van AI tot onderwijs, van welzijn tot media – draaide rond drie krachten: geconcentreerde macht zonder controle, een rafelende democratie en een cultuur die leert zich te schamen voor haar eigen stem.

Die machtsconcentratie zag je enerzijds in Trumps tweede termijn, anderzijds in platforms van meerdere miljarden dollars die met één post of algoritmewijziging de realiteit voor miljoenen herschrijven. De rafelende democratie zag je in kiesdistrictmanipulatie, intimidatie van kiezers, bedreigingen voor media-licenties en herschreven schoolboeken. De schaamte zag je bij makers en docenten die stilletjes hun interne lijst bijwerken van onderwerpen die het niet meer waard zijn om aan te raken.

In die sfeer fungeerde Gavin Newsom als tegenprogrammering.

Hij kwam op met de geoefende soepelheid van een Californische gouverneur en de nerveuze energie van een ondernemer die ooit discussies voerde met inspecteurs. Zijn boek gaf hem ruimte om in één adem te spreken over geld, schaamte en macht. Hij vertelde hoe een onbekende hem als tiener twintig dollar fooi gaf en hoe dat zijn gevoel van invloed veranderde, tot hij jaren later als jonge politicus 700 dollar gaf aan een tolbediende om alle auto’s achter hem door te laten. Een klein verhaal over wat systemen kunnen zijn wanneer ze kiezen voor gulheid.

Daarna schakelde hij hard over naar extractie: tarieven als verborgen belasting op boodschappen, besparingen op zorg en voedselhulp verpakt als budgetdiscipline, een belastingsysteem dat extreme winsten naar miljardairs stuurt terwijl een generatie slechter vooruitzicht heeft dan haar ouders. Hij noemde Trump een “jackass”, een invasieve soort, iemand die beter kan afbreken dan opbouwen. Hij beschuldigde hem ervan buitenlands beleid te buigen naar persoonlijke belangen en nationale veiligheid te gebruiken als decorstuk in een eindeloze zwendel.

Wat bleef hangen, was hoe hij het grote met het kleine verbond. Democratie niet als slogan, maar als huur, insuline, bouwvergunningen, de vraag of je kinderen nog in de buurt kunnen wonen. Californië presenteerde hij als bewijs: hogere belastingen voor rijken, hogere lonen, meer voorschoolse toegang, strengere emissienormen – en toch een centrum van innovatie. Zijn punt: democratie overleeft niet zonder een democratischer economie.

Hij brak ook met het idee dat een land als een bedrijf geleid moet worden. Overheid kan haar “klanten” niet kiezen en moet alle externe effecten dragen. Dat klonk anders uit de mond van iemand met ondernemerservaring.

Hij waarschuwde dat zonder politieke verandering vrije verkiezingen in 2028 niet vanzelfsprekend zijn – niet door tanks op straat, maar door subtielere manipulatie. De zaal werd stil. Niet geschokt, maar moe. Alsof iedereen dacht: dit klopt waarschijnlijk. En het dan weer diep wegstopte om toch nog van de borrel te kunnen genieten.

Zijn antwoord op die vermoeidheid was verantwoordelijkheid. Hij sprak over universeel basisvermogen, progressieve belastingen als bescherming van democratie, erkende fouten en benadrukte dat leiders iets moeten durven te riskeren.

En dat was misschien het grootste contrast van de week: bijna niemand op het podium leek echt iets op het spel te zetten.
Ik liep weer naar buiten in de Texaanse zon met de bekende conferentie-kater: te veel ideeën, te weinig slaap, het gevoel dat de wereld tegelijk instort en opnieuw opstart. AI-netwerken zullen gebouwd worden, water zal opgepompt worden. Oorlogen gaan door, feeds blijven ze remixen. Boekcensuur verdwijnt niet door één panel. Oligarchen gaan zich niet plots vervelen.

Wat voor mij telde, was dat in een enorme zaal een verkozen politicus het publiek behandelde als burgers, niet als doelgroep. Hij zei dat je portefeuille politiek is, je huur een referendum, je studieschuld een stembrief. Hij toonde zijn twijfels en fouten als deel van het verhaal.

Ik weet niet of Gavin Newsom degene is die deze tijd zal keren. Maar op dat moment leek hij minder een talking head en meer iemand die bereid is te zeggen: de schuur staat in brand, en we hebben nog gereedschap nodig, geen schermen.

De geur van streetfood, vermengd met het denkbeeldige gezoem van servers honderden kilometers verder, maakte duidelijk waar mijn honger zit. Niet naar redding of branding, maar naar politici die oligarchie durven benoemen, slachtoffers tellen, de rekening uitleggen – en toch geloven dat bestuur meer kan zijn dan angst.

Voor een paar uur in Austin voelde dat geloof minder nostalgisch en meer experimenteel. Als een ruwe eerste versie van de toekomst.
Ik vertrok met de drang – tegen beter weten in – om te zien wat hij hierna zal doen.

Archief / TRAINING&BOOKS