Fr

TRAINING&BOOKS

SXSW: Stargate: hoe OpenAI Texas verandert in wingebied voor AI, door Danny Devriendt (Omnicom Media)

Woensdag 18 Maart 2026

SXSW: Stargate: hoe OpenAI Texas verandert in wingebied voor AI, door Danny Devriendt (Omnicom Media)

Stargate is het gigantische AI-infrastructuurprogramma van OpenAI, een kolossaal plan van 500 miljard dollar dat samen met Oracle en SoftBank wordt uitgevoerd om ongeveer 10 gigawatt aan XXL datacentercapaciteit te bouwen voor het trainen en draaien van zijn modellen.
 
Ik ging naar de sessie “AI Infrastructure: Building Stargate & Beyond” in de hoop dat SXSW op zijn minst een volwassen discussie zou openen over wat deze gigantische AI-infrastructuren doen met elektriciteitsnetten, water en lokale gemeenschappen. In plaats daarvan kreeg ik een uur corporate promotietrailer voorgeschoteld: drie OpenAI-infrastructuurmanagers plus een sympathieke advocaat als moderator gespecialiseerd in techtransacties, geen enkele criticus in zicht, geen tegensprekende interviewer, geen derde partij... alleen een goed geoliede choreografie van talking points over hoe heldhaftig ze de rekenfabrieken van de toekomst bouwen.
 
Ik ga al meer dan twintig jaar naar SXSW, en dit was veruit de slechtste sessie die ik ooit heb bijgewoond. Het brute gevoel van entitlement op het podium was verstikkend: leiders die kilometers boven de realiteit zweven, totaal losgekoppeld van de plekken die ze op het punt staan te verslinden, zonder enig ethisch of waardenkader die naam waardig. Het is de enige sessie die me tot nu toe echt woedend heeft gemaakt — niet alleen sceptisch of teleurgesteld, maar oprecht en diepgeworteld boos over de minachting voor grenzen, voor gemeenschappen, voor de simpele vraag “moeten we dit wel doen?” in plaats van “kunnen we dit doen?”. Eerlijk gezegd past alleen een middeleeuws beeld: we zouden ze door de straten moeten laten lopen, voorzien van de spreekwoordelijke pek en veren, terwijl de menigte “schande, schande, schande” zou scanderen, want dat is het niveau van publieke verantwoordelijkheid dat zulke arrogantie zou moeten oproepen.
 
Van de partij waren Kaylen Bushell, “Compute Delivery Lead” bij OpenAI, de persoon die deze megasites fysiek realiseert; Matthew Castle, tegenwoordig Head of Infrastructure Business Development bij OpenAI, de man die “bijna elke GPU heeft gezien en gekocht die OpenAI ooit heeft aangeschaft” sinds het begin; Peter Hoeschele, VP Strategy and Operations; Infrastructure, die trots zegt de machinekamer van Stargate te hebben opgericht en Justin Haan, partner bij Morrison Foerster, in de rol van moderator en advocaat van de deal, dus degene die onderhandelt over de contracten die land, water, elektriciteit en belastingvoordelen omzetten in datacenters.
 
Geen vertegenwoordiger van ERCOT (Electric Reliability Council of Texas). Niemand van het kantoor van de gouverneur, geen waterautoriteit, geen milieuactivist. Geen vakbond, niemand uit een gemeenschap die naast deze installaties zal leven en hun grondwater en elektriciteitsrekening opgeslokt zal zien door de honger van OpenAI. Alleen zij. Alleen “wij”, “onze AI”, “onze plannen voor de gemeenschap”, alsof ze de toekomst al standaard bezitten — een verbijsterend staaltje techno-machiavellistische utopie.
 
“De wereld heeft al die rekenkracht nodig”: de religie van schaal
 
Op een bepaald moment zegt Hoeschele, min of meer bloedserieus: “Ik denk niet dat OpenAI al die rekenkracht nodig heeft, ik denk dat de wereld al die rekenkracht nodig heeft… Ik geloof fundamenteel dat meer rekenkracht goed is voor de wereld.”
 
Hij verwijst naar de “bitter lesson” van AI: schaal is alles — stop er gewoon meer compute in en je krijgt betere resultaten. Dat is hun volledige ethische kader: omdat hun scaling curves stijgen, zou de rest van ons moreel verplicht zijn om een stap opzij te zetten.
 
Ze pronken met datacenters van één gigawatt, waarbij één installatie ongeveer 1,1% van de piekcapaciteit van het volledige Amerikaanse elektriciteitsnet vertegenwoordigt. Dit is geen schattig “serverhokje”, dit is een energieregime dat een hele regio herconfigureert. Het Internationaal Energieagentschap schat dat het wereldwijde elektriciteitsverbruik van datacenters tegen 2030 ongeveer zal verdubbelen tot bijna 945 TWh per jaar — ruwweg het equivalent van een extra Japan dat op het net wordt aangesloten alleen om servers te laten zoemen en modellen te laten “denken”. Ze presenteren dit zonder enig alarmsignaal; ze presenteren het als een startup pitch deck.
 
In de logica van dit panel bestaat er geen exit. Meer data, meer training, meer “test time compute”, meer gebruikers, een groter vliegwiel, en opnieuw. Ze spreken over een “verbluffende” feedbacklus: hoe meer compute ze in het systeem stoppen, hoe beter de modellen worden, hoe meer mensen ze gebruiken, hoe hoger de inkomsten, dus moet er nog meer compute gebouwd worden. Het is een energieverslindende verslaving vermomd als visie.
 
Texas als “gastvrije” grondstoffenkolonie
 
En natuurlijk doen ze dit in Texas. Volgens hen is Texas “een van de beste plekken om nu te bouwen” omdat de staat “zeer gastvrij” is voor datacenters: weinig bureaucratie, een meegaand ERCOT, “veel vrije ruimte” en relatief beschikbare elektriciteit. Ze zeggen dit alsof het een charmante vorm van gastvrijheid is, en niet een aanklacht tegen hoe makkelijk kosten op Texanen worden afgewenteld.
 
Vertaling: “gastvrij” betekent een gedereguleerd net dat al spectaculair faalde in 2021, een politieke klasse die geobsedeerd is door het aantrekken van megaprojecten en een versnipperde waterplanning die geen coherent antwoord heeft op AI-vraag. Texas huisvest al honderden datacenters — meer dan 460 in 2025 — en analyses suggereren dat ze tegen 2030 tot 2,7% van het totale waterverbruik van de staat kunnen opslokken, vergelijkbaar met ongeveer 1,3 miljoen gezinnen.
 
Ondertussen worden Stargate-complexen gebouwd in rurale gebieden met beperkte politieke macht. Ze spreken over “honderden acres” alsof het een technologisch subliem landschap is, in plaats van landbouwgrond en kwetsbare ecosystemen die permanent worden omgezet in thermische machines.
 
Een AI-oven koelen in een uitdrogende staat
 
Wat ze nooit centraal stellen? Fysica. Ze praten over “chillers”, over binnenplaatsen vol elektrische apparatuur en het finetunen van watertemperaturen voor steeds hetere chips. Ze geven toe dat de gebouwen gigantisch zijn en koeling complex is, maar benoemen nooit de absurditeit: we bouwen enorme waterafhankelijke fabrieken die warmte uitstoten in een staat waar zomers langer en heter worden en droogte een welhaast klokvast fenomeen is.
 
Eén datacenter kan makkelijk honderdduizenden gallons water per dag verbruiken voor koeling; grotere campussen zelfs miljoenen. Dat is vergelijkbaar met het verbruik van een middelgrote stad. Inclusief elektriciteitsproductie verbruikten Amerikaanse datacenters in 2023 naar schatting 211 miljard gallons water.
 
Texaanse onderzoekers waarschuwen al dat de AI-datacenterboom de regionale watervoorraden zwaar zal belasten, vooral in droge gebieden. Op het podium luidt het verhaal echter: “we optimaliseren koeling”. De vraag “moeten we dit hier wel doen?” wordt nooit gesteld.
 
PR-vijgenblad voor systemische schade
 
De retorische truc van het panel: een paar vage menselijke verhalen inzetten om structurele problemen te maskeren. Een anekdote over hoe hun model hielp bij het diagnosticeren van een zieke hond in Australië. Veel “we helpen mensen productiever te zijn”, “kunstenaars en muzikanten”, en “community plannen” met wat filantropische kruimels.
 
Wat je niet hoort: iets over zelfdestructie en -moord met AI, of over gebruik van compute voor advertenties, surveillance en automatisering van slecht betaald werk. Geen vermelding van studies die aantonen dat bedrijven systematisch de werkelijke energie- en waterkosten onderschatten.
 
Ze zeggen constant “wij”, alsof “wij, het volk” om gigawatt-datacenters hebben gevraagd. Nee. Zij wel.
 
Geen rem, geen kaart, alleen gas geven
 
Wat echt schuurt, is het totale gebrek aan nederigheid. Ze presenteren dit als een “historische herinvestering” in infrastructuur, alsof de enige vraag is hoe snel we meer beton en hoogspanningslijnen kunnen aanleggen. Democratische controle over of dit überhaupt moet gebeuren — en waar en hoe — wordt als ondenkbaar behandeld.
Wereldwijd zal de elektriciteitsvraag van datacenters in enkele jaren verdubbelen. In Texas verwacht men bijna een verdubbeling van de piekvraag tegen 2030 door datacenters, crypto en industrie. Toch haalt het panel de schouders op bij het idee dat één site 1% van het Amerikaanse net kan opslokken.
 
En coördinatie? Niets. Geen nationale plafonds, geen regionale planning, geen mondiale afspraken, geen vetorecht voor gemeenschappen. Gewoon megaprojecten waar de politieke weerstand het laagst is. Dezelfde logica zien we in de ruimte, met plannen van xAI voor enorme satellietnetwerken die de nachtelijke hemel veranderen.
 
Hebzucht boven algemeen belang
 
Wat het meest opviel, was de houding: gepraat over “denkende modellen”, stoerdoenerij rond “full speed”, en nul ongemak over de echte kosten — water, energie, land en menselijke aandacht. De arrogantie dat een hypothetisch AGI-voordeel toekomstige schade rechtvaardigt.
 
OpenAI, xAI, Google, Anthropic en andere zitten in een wedloop om grotere datacenters te bouwen, meer elektriciteit te verbruiken en meer water te onttrekken — allemaal gebaseerd op de aanname dat het “uiteindelijk de moeite waard zal zijn”. Voor wie? Beslist door wie?
 
Zeker niet door de gemeenschappen die naast deze installaties leven. Niet via transparante processen die waterveiligheid, klimaat, biodiversiteit of mentale gezondheid afwegen. Het wordt beslist in bestuurskamers en advocatenkantoren, en vervolgens verkocht als onvermijdelijke vooruitgang.
 
Dus dit is de vraag waarmee ik vertrok — de vraag die het panel nooit stelde: waarom laten we een kleine groep extreem rijke techspelers en hun bedrijven beslissen wat “goed is voor ons”, terwijl ze land, water, elektriciteit en zelfs onze hemel opeisen voor een onzekere AI-toekomst, met nauwelijks toezicht of democratische instemming, en met weinig respect voor natuur of ethiek?
José Andrés of hoe het anders kan
Gelukkig werkte de opname van José Andrés in de Hall of Fame van SXSW als een perfect tegengif. Hij is de oprichter van World Central Kitchen, de humanitaire organisatie die bij rampen ter plaatse maaltijden bereidt.
 
Wat een man, wat een moed: hij sprak ongepolijst en aangrijpend over een wereld vol oorlog en vernietiging, terwijl we jaarlijks 2.500 miljard dollar aan oorlog uitgeven en zeggen dat we honger niet kunnen oplossen. Hij herinnerde ons eraan dat wereldhonger kan worden beëindigd voor ongeveer 80 miljard dollar per jaar — minder dan 2% van het militaire budget van rijke landen.
 
Zijn boodschap, simpel maar verpletterend tegenover Stargate: stop met investeren in wapens en muren, en begin met investeren in mensen voeden — en toon met daden dat we om hen geven.
 
Niet alle helden dragen capes…

Archief / TRAINING&BOOKS